Hoe kunnen wijkverpleging, vrijwilligers en burgerinitiatieven elkaar beter versterken? En wat hebben vrijwilligers nodig om hun rol goed te kunnen vervullen? Die vragen stonden centraal in het afstudeeronderzoek van Hanze-student Jeroen Bulten bij Kwadrant. Zijn onderzoek werd beoordeeld met een indrukwekkende 9,6 en bekroond met de Cruxprijs: de prijs voor de beste scriptie binnen het cluster Gezondheidszorg en Vitaliteit van de Hanze.
Voor strategisch beleidsadviseur Gea Jagersma van Kwadrant kwam het onderzoek op precies het juiste moment. ‘De samenleving verandert. Mensen wonen langer thuis, de zorgvraag wordt complexer en de druk op de wijkverpleging neemt toe. Daarom zoeken we naar manieren waarop formele en informele ondersteuning elkaar beter kunnen aanvullen.’
Leren van sterke lokale netwerken
Voor zijn onderzoek keek Jeroen naar de samenwerking tussen zorgprofessionals, vrijwilligers en inwoners in Trynwâlden, Bakkeveen en Oldeberkoop. Hij sprak met vrijwilligers, dorpsondersteuners, inwoners en professionals over hun ervaringen, behoeften en verwachtingen.
Jeroen koos er bewust voor om de informele zorg centraal te stellen. ‘Ik wilde weten wat vrijwilligers en burgerinitiatieven nodig hebben en wat zij verwachten van de wijkverpleging. Door vanuit hun perspectief te kijken, ontdek je kansen die je vanuit de formele zorg minder snel ziet.’
Vooral de samenwerking in Trynwâlden maakte indruk. Binnen het netwerk Trynwâlderein werken vrijwilligers, dorpsondersteuners, verenigingen en zorgorganisaties nauw samen. In dat netwerk wordt gezamenlijk gekeken welke ondersteuning inwoners nodig hebben en wie daarin iets kan betekenen.
‘De lijnen zijn kort en mensen weten elkaar snel te vinden’, vertelt Jeroen. ‘Daardoor worden vragen soms al binnen het sociale netwerk opgelost, nog voordat professionele zorg nodig is.’
Meer oog voor wat er al is
Een belangrijke uitkomst van het onderzoek is een prototype voor een netwerktriagemodel, gekoppeld aan de bestaande 5-vragenwijzer van Kwadrant. Het model helpt wijkverpleegkundigen om niet alleen naar de zorgvraag te kijken, maar ook naar de mensen en mogelijkheden die al aanwezig zijn in het netwerk van een cliënt.
Gea: ‘Een hulpvraag lijkt soms lichamelijk, terwijl er eigenlijk sprake is van eenzaamheid of een klein sociaal netwerk. Juist daar kunnen familie, buren, vrijwilligers of een maatje veel betekenen.’
Ze noemt een herkenbaar voorbeeld: ‘Iemand die vereenzaamt, gaat vaak minder bewegen en minder goed voor zichzelf zorgen. Uiteindelijk ontstaat er een zorgvraag. Terwijl samen wandelen of een boodschap doen soms al een groot verschil kan maken.’
Jeroen is van mening dat dorpsondersteuners hierin een belangrijke rol spelen. Zij verbinden inwoners, vrijwilligers en zorgprofessionals en weten vaak precies welke ondersteuning in een dorp beschikbaar is.
Onderdeel van een grotere beweging
Volgens Jeroen en Gea sluiten de onderzoeksresultaten aan bij een bredere ontwikkeling in de zorg. De zorgvraag groeit, terwijl het aantal beschikbare zorgprofessionals afneemt. Dat vraagt om nieuwe manieren van samenwerken.
‘De kracht moet uit de samenleving zelf komen’, zegt Gea. ‘Wij kunnen burgerinitiatieven niet organiseren, maar we kunnen wel verbindingen leggen, kennis delen en samenwerken.’
De inzichten uit het onderzoek sluiten goed aan bij de koers van Kwadrant, waarin zelfstandigheid, samenredzaamheid en initiatieven zoals TOEK een belangrijke plaats innemen. Het onderzoek wordt dan ook niet gezien als een los project, maar als een waardevolle bouwsteen voor de zorg van de toekomst.